Het stort van Moorsem

Klei en baksteen

Het toponiem Moorsem, dat letterlijk ‘huis bij het moeras’ betekent, dateert uit de vroege middeleeuwen. Samen met Betekom is het één van de oudere nederzettingen in de omgeving.

Voor dat het stort eind jaren ’70 de gemoederen danig verhitte, was Moorsem vooral gekend voor zijn uitstekende bakstenen. De Boomse kleilaag komt in Moorsem immers aan de oppervlakte en al in de middeleeuwen bakte men hier stenen die tot ver in de omtrek gegeerd waren. Zo lieten de Norbertijnen van Averbode hier in de 14de eeuw heel wat stenen bakken voor bouwwerken aan de abdij. Ook het oude stadhuis van Aarschot aan de Grote Markt werd begin 18de eeuw grotendeels met stenen van bij ons gemetst.

In de tweede helft van de 19de eeuw ontstond een ware baksteenindustrie in Betekom die tot het begin van de jaren ’70 van de 20ste eeuw zou blijven bestaan. Niet minder dan vijftien steenbakkerijen zouden in een periode van een 100-tal jaren het licht zien. De productie was navenant: volgens de industrietelling van 1880 werden in Betekom 1.260.000 stenen gebakken, waarmee het dorp koploper was in het arrondissement Leuven. 

Hoewel de industrie lokaal voor heel wat werkgelegenheid zorgde, was niet iedereen even blij wanneer in de buurt een steenoven werd opgericht. De rook van de ovens kon voor overlast zorgen en de gewassen van de buren danig aantasten en zelfs bederven. Het uitbaten van een oven was dan ook vaak beperkt in de tijd en onderworpen aan meerdere restricties. Stenen bakken kon meestal pas na 1 augustus en de oven moest minimum 10 meter verwijderd zijn van aarden wegen en 20 meter van kasseibanen.  Om er voor te zorgen dat de rook geen schade aanrichtte bij de buren, werden de uitbaters verplicht een hoge schoorsteen aan hun oven te bouwen zodat de schadelijke rook verspreid werd. In de 19de eeuw had de lucht in Moorsem dus ook al een reukje.

In juli 1875 kreeg Jean-Baptiste Nijs toestemming om een steenbakkerij uit te baten op 2 percelen grond langs de huidige Professor Scharpélaan. In de jaren ’30 groeide dit bedrijf uit tot de steenbakkerij Bonte-Van Rompaey. Toen begin  jaren ’70 het doek viel over de baksteenindustrie in Betekom, gingen de kleiputten van Bonte-Van Rompaey een nieuwe toekomst tegemoet.

Afval in het dorp

Vandaag produceert een gemiddeld huisgezin op jaarbasis letterlijk een hoop afval. Voor de Tweede Wereldoorlog was dit natuurlijk aanzienlijk minder, maar ook toen moesten de mensen ergens naar toe met hun afval. Heel wat huishoudelijk afval eindigde in een put in de grond of werd opgestookt in de tuin. In de 19de-20ste eeuw had elk dorp bovendien een gemeentelijk stort. In Betekom werd onder andere afval gestort in één van de afgesneden Demermeanders aan de Demerbrug. In Begijnendijk bevond het stort zich in de Moorputten, een moeras aan de oevers van de Merenloop in de OCMW- bossen (zie foto). Dit gemeentelijk stort bleef actief tot in de jaren ’70, waarna het ophalen van huisvuil door de Intercommunale Interleuven werd overgenomen. De stortplaats in de OCMW- bossen zou daarna nog jarenlang verder gebruikt worden door de gemeente voor het storten en opstoken van marktafval (vooral plastiek en ander verpakkingsmateriaal). Gelukkig zijn deze praktijken nu verleden tijd…

Onze gemeente was trouwens ook vroeger bijzonder gastvrij, want ook andere gemeenten kwamen hier naar verluidt afval storten, o.a. Aarschot in de oude vennen aan Staeybergen en Heist-op-den-Berg in een oude Demermeander bij Nieuwland.

Het stinkend stort

Naast huishoudelijk vuilnis nam ook het industrieel afval steeds toe. Dergelijk afval was meestal nog minder geschikt om in een open stort te belanden. De rivieren die in de jaren ’70 al omgetoverd waren tot open riolen hadden hun vervuilingslimieten al lang bereikt. Een procedé om al deze exploten van onze consumptiemaatschappij te neutraliseren was voor vele stoffen nog niet voorhanden. Als alternatief koos men daarom graag voor een ondergrondse opslag.

De eigenaars van de stopgezette steenbakkerij zagen hun kans schoon. De gigantische kleiput bood bovendien een extra veiligheid voor de omgeving. De overgebleven klei zou er voor zorgen dat er geen lekkages zouden zijn naar de omgeving.

In november 1974 werd een vergunning aangevraagd en, niet tegenstaande enkele bezwaarschriften van omwonenden, werd er een vergunning afgeleverd in maart 1975.

Dat dit gedurende de tien volgende jaren voor de nodige commotie zou zorgen in de fusiegemeente Begijnendijk, die op 1 januari ontstaan was uit de samenvoeging van Betekom en Begijnendijk, kon men toen nog niet vermoeden.

De ouderen onder ons herinneren zich vast de stank die de Demer verspreidde en, zeker in Aarschot, ervoor zorgde dat je niet te lang op de brug bleef rondhangen. Een visje viel toen zeker niet te bespeuren.

Ondanks dat men toen wel wat gewoon was kon de geurhinder, die het stort veroorzaakte in onze gemeente, niet langer door de beugel. Niet alleen de omwonenden hadden hier last van maar, afhankelijk van de wind, werd gans Begijnendijk of Betekom met dit ongewenst parfum gezegend. De buurt kreeg er ook nog een rattenplaag bovenop en het waren dit keer geen muskusratten uit Begijnendijk.

Algemeen begon overal het besef te groeien dat de verloedering van onze leefomgeving moest stopgezet worden. Politiek vertaalde zich dit in 1979 in de oprichting van de partij Agalev. Deze partij richtte zich initieel specifiek op de problematiek rond ons leefmilieu. Andere partijen hadden hier tot dan toe weinig aandacht aan geschonken. Ook in onze gemeente was dit tot dan toe geen aandachtspunt.

Waar de burger zich tekort geschoten voelt door de beleidsmakers ontstaan al eens nieuwe bewegingen die op die manier druk willen uitoefenen. We hoeven vandaag niet ver te kijken : de klimaatbeweging heeft met haar jeugdige bezielers al voor de nodige aandacht gezorgd.

In Moorsem vond men toen ook dat het zittende schepencollege veel te weinig animo en initiatief toonde om iets te doen tegen de hinder van het stort. Het actiecomité “Moorsem stinkt” zag het daglicht en van toen af kon de politiek niet langer de andere kant opkijken.

Midden in de stort-sage van Moorsem werd in 1980 het milieuschandaal van Lekkerkerk bekend. Deze woonwijk in Nederland was recent gebouwd op een voormalig stort. De bodem bleek vol giftige chemicaliën te zitten en de bewoners moesten hun woningen voor verschillende jaren omruilen voor een stacaravan. Dat dit doembeeld in Moorsem ook al eens opdook hoeft geen bekijf .

 

Naast de ondraaglijke stank was er ook de bezorgdheid om wat er verdween in de kleiput. Hierover was weinig transparantie en het overtreden van milieuregels werd toen nog niet zo zwaar bestraft als vandaag. Als het al werd vastgesteld.

Uiteindelijk is in 1985 het doek, of laten we zeggen de grond, letterlijk gevallen over het stort. Toen werden de laatste werkzaamheden verricht die voor een volledige afdichting van het stort langs de bovenzijde hebben gezorgd. De geurhinder is verdwenen en ook de ratten zijn er niet meer.

De vraag blijft wel of er nog een vervolg komt op deze episode. Het verdwijnen van de hinder heeft ook gezorgd voor het verdwijnen van de protesten. Wat er in de put gestort is, zit er nog steeds. Dat dit ooit naar boven gehaald zal moeten worden zal de toekomst uitwijzen. Of zal de steenbakkersklei zorgen voor een eeuwige sarcofaag  ?